Verhaal

Aardappelstomer

Auteur: 
Uit: De Wiezer wk.42

Aardappelstomer
Historische Kring Wederden

Als de zomer vorderde, vroeger heette de herfstvakantie de aardappelvakantie, kwam de tijd van het aardappelen rooien of zoals wij het hier noemen 'earappelkrabben' of 'earpel gardern'. In mijn jeugd was dit allemaal nog handwerk en de hele familie werd erbij ingeschakeld.

Eerst werden met een mestvork de aardappelplanten wat los gestoken, zodat je wat makkelijker in de losgewerkte aarde kon wroeten. Kruipend over de aardappelrug woelde je dan met de handen de grond door om de aardappelknollen eruit te krabben en te verzamelen in een tenen mand, die meegesleept werd over het land. Als de mand vol was werd deze geleegd op een wagen of een kar of aan een hoop op het land. Om de vingers enigszins te beschermen droeg je meestal dopjes aan de vingers, oorspronkelijk van metaal, later ook wel van rubber.
De aardappelen die vroeger werden verbouwd, waren consumptieaardappelen, voor de mensen dus, maar ze werden ook wel gevoerd aan de varkens. De aardappelen die bestemd waren voor de varkens werden meestal gestoomd en ingekuild.

Een deel van de aardappelen werd gestoomd. Loonwerkers hadden meestal een aardappelstomer. De stoommachine bestond uit een centrale stoomketel die gestookt werd met grote vierkante briketten en daarnaast uit vier grote losse ketels. De aardappelen werden met handkracht met een aardappelvork in de ketels geschept. Het waren meestal vier ketels om het stomen doorlopend verder te kunnen laten gaan. Als de ketels vol waren, werden ze met een stoomslang verbonden aan de centrale stoomketel en op deze manier werden de aardappelen gaar gestoomd. Daarna werden de ketels leeggestort in een kuil. Hierin stond een man met plankjes onder de klompen om de gaar gestoomde aardappelen aan te stampen. Als de kuil vol was, werd deze afgedekt met een laagje stro, waaroverheen een dikkere laag zand ging. Wat later werd er een soort pureermachine gebruikt om de gestoomde aardappels te pureren. De gepureerde aardappelen dienden als varkens- en veevoer; er was namelijk een overschot aan aardappels. Genoemde activiteit werd gesubsidieerd door het rijk en gebeurde veelal in de herfst.
De voedingswaarde van de gekookte aardappel is veel hoger dan ongekookt. Het koken gebeurde meestal in een fornuispot en was kleinschalig en arbeidsintensief. Al voor de Tweede Wereldoorlog werd er geëxperimenteerd met het stomen van aardappelen. De gestoomde aardappelen werden ingekuild en bedekt met stro en zand en als veevoer gebruikt. Tijdens de oorlog werd deze regeling beëindigd, maar na de oorlog werd de subsidie weer ingesteld en de aardappelstomer werd massaal gebruikt tot ver in de jaren vijftig.
Het werd duidelijk dat vooral de kleinere gemengde bedrijven het moeilijk hadden na het inleveren van hun kippen (75 procent) en voor de oorlog eigenlijk al in de problemen kwamen. Eind 1941 was de varkensstapel zelfs met 56 procent verminderd in vergelijking met juni 1940.

Het scheuren van grasland voor de verbouw van vooral aardappelen en suikerbieten tijdens de oorlogsjaren zou een alternatief kunnen zijn en ter compensatie werd dan een premie uitbetaald. De verhouding tussen bouwland en blijvend grasland werd daardoor gewijzigd en de graan- en aardappelarealen werden vergroot.

Reacties

Onderdeel van het thema: