Verhaal

Bij Mussert op schoot. De lotgevallen van een NSB-kind

Auteur: 
Tineke Derks-Wessels

Ons gezin bestond uit mijn vader (tweeënveertig, tekenleraar, kunstschilder en NSB-er uit idealisme), mijn moeder (negenendertig, tot mijn geboorte wijkverpleegster; zij was het niet eens met het NSB-lidmaatschap van mijn vader), ikzelf (negen), mijn broertjes Fred (zeven) en Wimmy (drie maanden) en mijn zusje Ellen (vijf).

Wij woonden in Hilversum en mijn ouders waren menslievende mensen. De armoede en werkeloosheid van de crisistijd, de toenemende alcoholverslaving en verloedering grepen hen zeer aan. Vader dacht dat een nationaal-socialisme verbetering kon brengen voor de minderbedeelden. Hijzelf had een goed salaris, daarvoor hoefde hij het niet te doen. Toen de oorlog uitbrak, heeft hij bij de Afsluitdijk tegen de Duitse invallers gevochten. Vlak voor de oorlog is hij bij de Minister van Defensie geweest om te vragen hem te degraderen van officier naar gewoon soldaat, omdat hij nooit aan iemand het bevel zou willen geven een ander te moeten doden.

NSB-kinderen

Als kinderen wisten we niet wat NSB betekende, mijn vader hield alles daarover buiten de deur. Ik merkte alleen dat er soms onenigheid tussen mijn ouders was over dit onderwerp. Verder waren ze heel eensgezind. Wel werden we al vanaf 1941 gemeden en gepest door kinderen in de buurt en op school omdat we ‘NSB-kinderen’ waren, zeiden ze. Bijna alle vriendinnetjes en vriendjes mochten op den duur niet meer met ons spelen, zelfs mijn lievelings- tevens buurvriendinnetje niet. Als ik er over klaagde bij mijn moeder stuurde ze me met een kluitje in het riet en zei: “kinderen begrijpen hier niets van” en “vertel het maar niet aan papa”. Ik ging me buiten de deur onopvallend en afwachtend opstellen. Omdat ik het allemaal niet begreep en er geen vat op kon krijgen, had ik op den duur het idee dat er aan mijzelf iets niet goed was. Mijn zelfvertrouwen kreeg een flinke deuk.

Tot halverwege 1942 ging ik naar school, daarna werd er geen les meer gegeven i.v.m. brandstoftekort en het gevaar van beschietingen. Eind 1942 vloog er een steen door onze ruit. De scherven vielen in de wieg met mijn babybroertje Wimmy, die voor het raam stond. Mijn moeder raakte nogal in paniek en ik had het idee nergens meer veilig te kunnen zijn, “want als zo’n klein onschuldig kindje al gevaar loopt in huis, hoe erg is het dan buiten wel voor mij”, dacht ik. Een maand later overleed dit broertje door wiegendood.

Wierden

In september 1944 vertrokken we hals over kop en met weinig bagage in een trein naar Twente. Mijn ouders vertelden ons dat we met vakantie zouden gaan naar ‘opa en oma in Hengelo’. (Veertig jaar later hoorde ik pas dat dit een speciale trein naar Duitsland was, die ingezet werd voor de vlucht van NSB-families en andere aanhangers; dus niet een ‘gewone’ trein, zoals ik altijd gedacht had. Er was honger in het westen van het land en de geallieerden hadden Zuid-Nederland bevrijd, waardoor veel NSB-aanhangers en andere Duits-sympathiserenden angstig werden.) Onderweg werd de trein een paar keer beschoten door vliegtuigen, in Amersfoort zelfs zwaar. We moesten schuilen in een schietput naast de rails, ik vond dat doodeng omdat er kikkers in zaten. De rit duurde lang, we reden langzaam en stopten vaak. Onderweg hoorden we dat Hengelo gebombardeerd was. Het was al laat toen we Wierden binnenreden.

In de trein zaten we met een ons bekend gezin met kinderen, dat in Wierden naar familie ging. “Ga maar met ons mee”, zeiden ze.  Zo kwamen we onverwachts bij de familie Van der Kolk, die aan de Aadorpsweg woonde. We werden daar heel gastvrij ontvangen. Voor ons kinderen was het de eerste weken een leuke vakantie. Met ons hele gezin sliepen we op noodbedden op de zolder van het kleine huis; ‘kermisbedden’ heetten die feestelijk, met de geuren van tabaksbladeren, die er boven hingen te drogen en van opgeslagen appels. Ineens tien logees moet een grote drukte geweest zijn voor dit oudere echtpaar met inwonende zoon. Zij waren ook NSB-lid!

We kwamen er al gauw achter dat de kinderen uit de Aadorpsweg evenmin met ons mochten spelen. Gelukkig waren er de kinderen van de andere familie en een flinke tuin met wat dieren, bijenkorven, fruit en groenten. We kregen stukken volle honingraat, zo groot… dat ik me er voorgoed op tegen gegeten heb. Het slachten en leegbloeden van het varken was wel griezelig voor ons stadskinderen. Tjonge, wat ging dat dier te keer, het gillen ging door merg en been. Mijn zusje heeft daarna nooit meer varkensvlees willen eten!

Lijst

Na een paar weken niets doen liep mijn vader met zijn ziel onder de arm, wat mijn moeder niet kon aanzien. Ze adviseerde hem naar het gemeentehuis te gaan om werk te zoeken (waar ze later veel spijt van had!). Vader werd op het secretariaat gevraagd een lijst samen te stellen van vierhonderd Wierdense mannen die in Duitsland te werk gesteld moesten worden. Gemeenteambtenaren saboteerden het maken van deze lijst al een poos. Waarom mijn vader daar ooit aan begonnen is, blijft voor mij nog steeds een groot raadsel, temeer daar hij in de oorlog tegen mijn moeder had gezegd “Ga nooit naar Duitsland!”. Hij had gehoord dat er rijke boeren waren die hun zonen vrij kochten van deze verplichte tewerkstelling in Duitsland. De zonen van arme gezinnen moesten er voor in de plaats gaan, terwijl deze thuis juist zo hard nodig waren om het hoofd boven water te houden. Mijn vader vond dat oneerlijk en heeft toen gezegd: “Daar zal ik een stokje voor steken!”. Samen met zoon Van der Kolk begon hij aan het administratieve werk.

Kunstjes

Vader was voor ons een leuke papa. Hij speelde graag met ons en kon leuke dingen bedenken. Hij goochelde, maakte zelf spelletjes en las elke avond voor. Begin november ‘44 sprak hij ons via de radio zogenaamd ’vanuit Spanje’ toe als Sinterklaas, die juist op de boot naar Nederland was vertrokken. Hij had voor iedereen in huis een vermaning of gekkigheid.

Op een avond hoorden we vliegtuigen en schieten. Er waren bommen gevallen in Wierden, bij het station. Hoewel mijn vader het te gevaarlijk vond en er tegen was, ging moeder toch alleen weg om te kijken of ze als verpleegster van nut kon zijn. Vader ging toen gymnastiek met ons doen en kunstjes maken om ons af te leiden. Mijn moeder kwam later erg ontdaan terug. Ze had er kunnen helpen, maar moest ook met pijn in haar hart een dood kindje aan een moeder overhandigen. Zijzelf had nog geen jaar geleden ons baby-broertje moeten begraven. Soms mocht ik met vader mee achterop de fiets naar de Bellinckhof in Almelo, waar ik dan in de sombere hal moest wachten.

Een drastische verandering

Op 13 november, in het donker, werd mijn vader bij thuiskomst op straat voor ons logeerhuis neergeschoten door mannen die hem de tas met adressen, die hij elke dag mee naar huis nam, wilden afpakken. Zoon Van der Kolk kwam er beter vanaf omdat de voor hem bedoelde kogel ketste of miste. Hij is hard gaan schreeuwen en de volwassenen in huis renden naar buiten. Mijn moeder heeft nog even met een vreemde gevochten om de tas. Toen zijn de belagers in paniek weg gegaan naar ik later hoorde. De tas hebben ze niet meer meegenomen. Ik heb nog gezien dat mijn vader in de schuur op de grond gelegd werd. Het kleine gaatje in zijn hals zag er niet erg verontrustend uit, wel de kleur van zijn gezicht en het stille lichaam.

Mijn moeder stuurde me in paniek schreeuwend weg met de opdracht te zorgen dat mijn broer en zusje niet mochten binnenkomen. Eerst heb ik tevergeefs met mijn broer in de deuropening gevochten, hij wist toch naar binnen te glippen. Daarna kwam ik op de gang mijn huilende zusje tegen, dat ik zo graag stil wilde krijgen. Hoe ik ook mijn best deed haar te troosten, het lukte niet. Ik voelde me tekortschieten en machteloos. Mijn vader was bewusteloos en heeft nog tien minuten geleefd terwijl mijn moeder ons de volgende dag vertelde dat ze die nacht nog met hem had kunnen praten en hij haar had gevraagd tegen ons te zeggen dat we lief voor haar moesten zijn, haar goed moesten helpen en dat vader vanuit de hemel alles kon zien. De avond ervoor was ik voor straf zonder nachtzoen vroeg naar bed gestuurd en de ochtend van de liquidatiedag had mijn vader iedereen goedendag gezoend, behalve mij omdat ik nog sliep. Ik voelde me lange tijd onevenredig stout en minder geliefd omdat de anderen toch nog een soort afscheid hadden gehad.

De volgende dag wilde een jongen aan de overkant van de straat opeens wel met me praten, omdat hij nieuwsgierig was. Het voelde voor mij als een glorie eindelijk ‘gezien’ te worden en er even te ‘mogen zijn’. Tegelijk schaamde ik me diep omdat mijn trots hierover in dit verband natuurlijk krankzinnig was. Niemand heeft me daarna ooit gevraagd wat ík precies gezien heb en hoe het allemaal voor mij was.

Vierenveertig jaar later was het Koos Postema die me er als eerste naar vroeg in een uitzending over KOMBI. (KOMBI: St. Kinderen van de Oorlog voor Onderlinge en Maatschappelijke Begeleiding en Integratie) Achter de schermen kreeg ik daarna tot mijn eigen verbazing een hevige huilbui, niet beseffende dat het nog zo diep zat…die eenzaamheid daarover. Vader werd opgebaard in een school in het centrum. Mijn moeder wilde niet dat wij hem zagen. Ze dacht dat het te schokkend zou zijn voor haar kinderen om vader dood te zien en zo afscheid te moeten nemen. (Later heb ik nog vaak gedroomd en gefantaseerd dat hij niet echt dood was, maar gevlucht).

Mussert

Ik weet nog goed dat Mussert en een paar andere ‘hoge pieten’ op bezoek kwamen in de kleine huiskamer om te condoleren. Ik moest van mijn moeder opstaan om mijn stoel aan te bieden. Mussert zei dat ik wel bij hem op schoot mocht zitten. Eigenlijk wilde ik dat helemaal niet. Ik vond hem niet vriendelijk en had bovendien een hekel aan zijn uniform (uniformen vond ik bedreigend, dat had ik overgehouden aan het zien van marcherende troepen en razzia’s op straat). Gelukkig zijn er nooit wraakmaatregelen genomen voor de dood van mijn vader. Het valt te betwijfelen of de woorden van mijn moeder daar invloed op hebben gehad, want intussen werd zoon Van der Kolk, omdat hij het overleefd had, verdacht van dubbelspionage en door de SS twee weken gevangen gezet.

De NSB-leiding wilde van mijn vader een martelaar maken. Hij werd met militaire eer begraven. Ze hebben mijn moeder wijs gemaakt dat dat zijn laatste wens was en een laatste wens was heilig voor haar, al moest het ook ten koste van haarzelf en anderen gaan. De familie van mijn vader wilde niet aanwezig zijn bij zo`n soort begrafenis.

Begrafenis

Op de dag van de begrafenis werd ons gezin met een koetsje van huis gehaald en reden we naar het centrum. Voor ons kinderen was dat ondanks alles toch een interessante gebeurtenis. Bij de Appelhofstraat moesten we wachten en kwam een grote, geheel zwarte begrafeniskoets voor ons rijden, begeleid door een groot aantal militairen en andere mannen in donkere uniformen. Aan de kant van de weg stonden mensen te kijken. Van sommigen vergeet ik het gezicht mijn leven lang niet meer: heel gemeen lachend! Het was alsof ik de duivel recht in zijn gezicht keek. Dat was heel verwarrend voor mij, want “hoe kun je daar nou zó om lachen als mijn lieve pappie dood is en weggebracht wordt”, dacht ik. Nog een knauw in mijn vertrouwen in mensen. Op het kerkhof voelde ik me erg nietig en angstig tussen al die zwarte laarzen en jassen. Het was niet onze begrafenis, die is ons echt afgepakt, vind ik.

Mijn moeder had maar twee handen en die gebruikte ze om mijn broertje en zusje vast te houden. Er lag een grote NSB-vlag op de kist, ook al zo vervreemdend, die er onder doodse stilte afgehaald werd. Er volgde een militair saluut van, naar ik meen, twaalf schoten. Daar ben ik radeloos van geworden, maar kon er met niemand over praten. Ik vond het zo krankzinnig dat er opnieuw zo vaak geschoten werd, nadat mijn vader zelf door een schot om het leven was gekomen. “Het leek wel of hij nog zoveel keer opnieuw werd doodgeschoten“, vond ik. Van eerbetoon op die manier snapte ik helemaal niets en eigenlijk nog steeds niet.

Er waren veel toespraken die ik niet begreep, het had niets meer met ons te maken en ik maar bibberend wachten. Mijn enige aandeel in de gebeurtenis was een schepje zand op de kist gooien; niemand had me hierop voorbereid. Ik schrok erg van de doffe plof en wilde wel dat ik deze opdracht nooit had uitgevoerd. Mijn broertje durfde te weigeren. Op dit kerkhof heb ik toen voor het eerst een heel diepe eenzaamheid gevoeld, bijna alsof ikzelf dood was. Ik heb me met mijn ogen aan de boog in een beukenheg vlakbij vastgeklampt, als enige houvast in de omgeving. Er kwam geen steen op het graf omdat mijn moeder bang was voor grafschennis uit wraak.

*Dit verhaal is in verkorte vorm weergegeven. Dit hele verhaal verscheen eerder in het boek uitgegeven door de Historische Kring getiteld "Allerlaatste Herinneringen Wierden 1940-1945" van Stichting Historische Kring Wederden.
**Titelfoto: NSB-ers (of vermeende “heulers met de vijand”) worden over het huidige Van de Bergplein afgevoerd. Rechts het pakhuis van de firma Van Buuren. Erachter het gemeentehuis, links daarvan de winkel van Wanschers.

 

Reacties