Verhaal

Veldwachter Eduard Mengerink

Auteur: 
Uit: de Wiezer

Eduard Harmen Christiaan Mengerink werd geboren op 17 februari 1861 in Goor. Hij was een zoon van Berend Mengerink, geboren te Stokkum/Markelo op 30 december 1834 en op 9 juni 1860 gehuwd met Cornelia Holtkamp, geboren op 7 mei 1840 te Goor, dochter van Harmen Christiaan Holtkamp, kleermaker en Hendrika ten Donkelaar.

De latere veldwachter Mengerink trouwde rond 1883 met Johanna Hendrika Boswinkel, geboren op 14 oktober 1861 Goor en was aanvankelijk wever te Goor en later nachtwaker. Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren. Johanna Hendrika Boswinkel overleed te Wierden op 20 juni 1922.

Op 1 oktober 1892 werd Mengerink benoemd tot veldwachter in de gemeente Wierden, naast deze functie was hij onbezoldigd rijksveldwachter, marktmeester en plaatselijk deurwaarder. Ze woonden aan de Markt nummer 208. Momenteel is hier Modehuis de Brink gevestigd, de dakkapellen zijn nog in oude staat te zien. Mengerink werd eervol ontslagen op 1 oktober 1927.

Op 26 februari 1920 schreven de drie veldwachters een brief aan de gemeenteraad (op gezegeld papier van dertig cent) waarin ze vermeldden dat ze “weliswaar dankbaar waren voor de verhoging die eenige tijd geleden is toegestaan, echter vonden ze, mede gelet op de lange en onregelmatige werktijden, een verhoging van hun salaris met ingang van 1 januari 1920 nodig, zoodat zij in staat zijn behoorlijk in de behoeften van zichzelf en hun gezin te kunnen voorzien.”

Bij overlevering zijn er twee markante anekdotes:
Mengerink arresteerde in de jaren twintig een forse manspersoon die gezien zijn gestalte veel sterker was dan Mengerink, die klein van stuk was. Deze man probeerde te ontsnappen maar Mengerink hield hem als een terriër vast en werd meegesleept. Deze meesleperij heeft zolang geduurd dat de voetzolen van Mengerink waren doorgesleten.

Ooit moest men iemand uit Enter arresteren die van een moord verdacht werd, waarschijnlijk had Mengerink hierbij wel hulp. De arrestant verweerde zich zeer heftig, zodat hij door een aantal mensen in bedwang moest worden gehouden en op een handkar werd vastgebonden en naar Almelo vervoerd. Onderweg ging die persoon als een razende tekeer en schreeuwde “Mengerink as ik wier lös bin dan vermoor ik oe”. Vele jaren later was Mengerink ’s avonds in het donker, per fiets op weg naar Enter met als fietsverlichting een carbidlantaarn. Onderweg ontmoette hij iemand die hem om een vuurtje vroeg om zijn sigaret aan te steken, Mengerink gaf hem het vuurtje en herkende in het flauwe schijnsel de toenmalige arrestant. Hij had reeds vernomen dat hij om deze tijd werd vrijgelaten. Mengerink zei: “Ie bunt wier oet de gevangenis?” “Joa, Mengerink”, zei de persoon en fietste weer verder. Later vertelde Mengerink dat hij op dat moment wel agressie van deze persoon verwacht had gezien zijn toenmalige verwensingen, maar kennelijk was hij door de jarenlange detentie tot inkeer gekomen.

Na meer dan 35 jaar de gemeente Wierden te hebben gediend werd Mengerink per 1 oktober eervol ontslagen. Hij overleed op 18 juni 1937 en is op de Algemene Begraafplaats aan de Appelhofstraat begraven.

Reacties

Onderdeel van het thema: